Dorpen horen niet verloren te gaan

Ganzedijk: van spookdorp naar leefbaar dorpGanzedijk: van spookdorp naar levendig dorp

Ganzedijk! Dit zal zeker niet het antwoord zijn op de vraag: “Welke woonplaats komt naast of na je eigen woonplaats het eerst in je op?”. Toch is het Groningse dorp vaker in het landelijke nieuws genoemd en zelfs geroemd dan menig ander Nederlands dorp. Om en nabij de tweehonderd inwoners van Ganzedijk kregen het voor elkaar het dorp te behoeden voor verdwijning van de landkaart. Het dorpje stond op de nominatie om gesloopt te worden, maar de combinatie van actieve bewoners, een nieuwe wethouder, een nieuw plan en een kapitaalinjectie van circa twee miljoen euro bleek succesvol voor behoud van Ganzedijk. Succesvol voor Ganzedijk, maar des te minder succesvol voor soortgelijke dorpen in diezelfde omgeving. Hoe actief de bewoners van die buurdorpen dan ook mogen zijn, voor deze dorpen is niet hetzelfde kapitaal beschikbaar. Het opknappen van Ganzedijk blijkt een zeldzaamheid te zijn. Mijn interesse gaat uit naar het opknappen van dorpen middels projecten in het kader van leefbaarheid met een reële haalbaarheid.

Frederiksoord, Grevenbicht, Jipsinghuizen, Kattendijke, Metslawier, Molenhoek, Nieuwe-Tonge, Obbicht, Oppenhuizen, Ossendrecht, Schimmert, Sleen, Uitweg, Voorst, Wanssum, Warffum, Zuilichem. Een waslijst aan dorpen op alfabetische volgorde. Toch hebben deze dorpen iets met elkander gemeen. Uit eigen bevindingen is gebleken dat enkele bewoners uit deze dorpen hopen op verbetering van leefbaarheidsaspecten. Hetzij een betere verstandhouding tussen bewoners en de gemeente, hetzij angst voor het verdwijnen van voorzieningen, hetzij de wens voor starterswoningen en geschikte woningen voor senioren in het dorp. Het voordeel van het werken bij de helpdesk van een onderzoeksbureau is dat ik deze informatie naar mijn hoofd geslingerd krijg. Figuurlijk gezien dan, want er is tot nu toe niemand geweest die letterlijk een boekwerk met dergelijke informatie richting mijn gelaat geslingerd heeft. Dat wil ik ook graag zo houden.

Zowel telefonisch als per e-mail nemen bewoners de moeite om contact op te nemen met de helpdesk die ik zo nu en dan beman. Tijdens dergelijke contactmomenten wordt mij eens te meer duidelijk dat ik deze mensen graag wil helpen. Niet als helpdeskmedewerker, maar als persoon. Als Wouter Swam. Ik kan me vinden in de opmerkingen, de klachten en de ideeën die bewoners tijdens de contactmomenten op tafel leggen. Ook hier bedoel ik de figuurlijke tafel, maar graag zou ik letterlijk met deze bewoners aan de tafel willen zitten. De verstandhouding tussen bewoners en overheidsinstanties kan altijd beter. Als onafhankelijke schakel zou ik hier graag bij willen helpen.

Bewoners hebben zicht op de situaties in hun eigen woonomgeving, in hun eigen dorp. Zij zijn als het ware de experts op het gebied van leefbaarheid. Wellicht zal niet iedereen het hiermee eens zijn, maar bewoners bezitten meer expertise op het gebied van leefbaarheid dan de zogenoemde experts. Tenzij de experts handelen vanuit hun eigen situaties in hun eigen woonomgeving. Maar ook dat betekent weer. De experts zijn bewoners. Bewoners zijn experts.

Uit eigen leefbaarheidsonderzoeken blijkt dat veel bewoners van dorpen vrezen voor het verdwijnen van essentiële basisvoorzieningen zoals een basisschool, een ontmoetingsruimte, een vereniging of een café. Daarnaast vreest men voor toekomstige leegloop door de huidige vergrijzing en het gebrek aan starterswoningen, waardoor jonge bewoners weinig tot geen kans zien zich in het dorp te vestigen waar ze opgegroeid zijn. Nu de krimp toeslaat kunnen kleine dorpen zogenoemde spookdorpen worden.

Ganzedijk heeft een transformatie van spookdorp tot leefbaar dorp ondergaan.
Door activering van bewoners lijkt een definitieve verdwijning van de baan.
Bewoners, overheidsinstanties en overige betrokken partijen hebben hiervoor hun best gedaan.
Door een goede samenwerking tussen bewoners en organisaties kan leefbaarheid blijven bestaan.
Dorpen horen niet verloren te gaan.

Graag zou ik willen sparren met gemeenten, dorpsbelangenorganisaties en bewoners die zich in dergelijke situaties bevinden. Mede door middel van interactieve bewonersbijeenkomsten wil ik de behoefte van bewoners in beeld brengen in het kader van leefbare dorpen. Bemiddeling bij bewonersparticipatie en daarop aansluitend onderzoek kan leiden tot een onafhankelijk advies richting gemeenten, provincies, dorpsbelangenorganisaties & bewoners, woningcorporaties, zorginstellingen, scholen, verenigingen en overige betrokken partijen.

Met leefbaarheidsprojecten wil ik graag mijn brood verdienen, om het deels weer te beleggen.

© W. Swam

Dorpsleven versus Stadsleven

Dorpsleven versus Stadsleven

Als je bent geboren in Winterswijk en bent opgegroeid in Eibergen, mag je met recht zeggen dat je een Achterhoeker bent. En laten we eerlijk zijn, de Achterhoek bestaat uit dorpen en kent geen echte steden. Doetinchem is dan de enige Achterhoekse plaats met een soort van stads karakter, maar ik weet niet of Doetinchemmers zich tot de zogenoemde stadsen scharen. Dat is natuurlijk een gevoel en dat verschilt per inwoner. Uitgerekend bij de grootste of bekendste voetbalclub van de Achterhoek wordt de liefkozende benaming Superboeren gehanteerd. Dat laat de verbinding met het Achterhoekse platteland al enigszins doorschemeren.

Eens een Achterhoeker, altijd een Achterhoeker.

Ondanks het feit dat ik mezelf op en top Achterhoeker voel, ben ik ten behoeve van de studie naar Overijssel vertrokken. Van een dorpsleven naar een stadsleven. Het was even wennen, maar al snel voelde Deventer ook als mijn thuis. Na twee fijne jaren in de Koekstad annex Boekenstad ben ik vertrokken naar de stad waar ik van jongs af aan al de meeste binding mee heb. Enschede was bijna vier jaar mijn thuisbasis. Het stadsleven beviel me goed. Leven in de anonimiteit beviel goed, maar had ook zo zijn keerzijde. Waar je in een dorp iedereen zonder problemen vriendelijk kan groeten, levert een vriendelijke groet in een stad vreemde, verbaasde en soms zelfs agressieve blikken op. “Wat moet die gast? Hij kent me helemaal niet?”, zullen die stadsen dan gedacht hebben. Mede om die reden deed ik toch elk weekend weer een beroep op de uiterst belabberde OV-verbinding om mijn dorp Eibergen te bereiken. Eenmaal in Eibergen aangekomen werd je door een ieder haast overenthousiast begroet. Op dat moment weet je het weer: “Ik ben thuis”. Weg uit mijn stadsleven en weer thuis in mijn dorpsleven.

Eens een Achterhoeker, altijd een Achterhoeker.

Toch kan ik me nog herinneren dat wij Eibergenaren op de middelbare school door scholieren uit kleinere dorpen als stadsen getypeerd werden. “Het zal allemaal wel”, dacht ik op dat moment. “Alsof Eibergen geen dorp is”. In ieder geval zeker geen stad! En daar ben ik blij van. In de zomerperiode vertrokken veel jongeren naar zonnige oorden. Mocht je van je ouders nog niet naar het buitenland? Of waren sommige vrienden hier nog te jong voor? Dan viel de keuze op Nederlandse vakantieoorden zoals Terschelling, Renesse of Ommen. Camping Dennenoord nabij Ommen was de plek bij uitstek voor jongeren die wel wisten wat kratten pils waren. Aldaar werden de campinggasten jaarlijks geconfronteerd met een wellicht lastige keuze. Tijdens een potje touwtrekken konden campinggasten zich aansluiten bij de boeren of bij de stadsen. Het vieze meertje op de camping vormde het decor voor de sportieve strijd tussen de boeren en de stadsen. Volgens mij waren er voldoende campinggasten die geen keuze konden maken. Er zijn genoeg woonplaatsen die niet dorps en niet stads zijn. Welke keuze maak je als bewoner van zo’n dorp dan tijdens deze touwtrekwedstrijd? Boer of stadse? Boer of stadse? Deelnemer of toeschouwer? Touwtrekken of biertjes drinken met je maten?

Jongs! Kratjes pakk’n! Kom kiek’n bie de kearls bie ’t meertje!

Eens een Achterhoeker, altijd een Achterhoeker.